Rubriek in Oegstgeester Kerkblad

De joodse apostel Paulus schrijft zijn brieven omstreeks het jaar 50. De evangelisten schrijven tussen het jaar 80 en het jaar 100 hun geloofsverhalen over Jezus van Nazareth vanuit hun joodse, oudtestamentische achtergrond. De meeste Joden wonen in die tijd in de joodse diaspora in de Grieks-Romeinse wereld buiten Palestina, met als centrum Alexandrië in Egypte. Alle teksten zijn in het Grieks geschreven, 2000 jaar geleden.

 

De evangeliën

De joodse mens Jezus van Nazareth is een 'rechtvaardige' die leeft uit de geest van God. Hij wordt in de evangeliën ook 'de lijdende zoon van God' genoemd. Voor sommigen is hij de 'messias' die verwacht wordt door het joodse volk, voor de spoedige realisering van het 'koninkrijk van God'. In het Grieks wordt 'messias' vertaald als 'christus'. De volgelingen van Jezus worden daarom christenen genoemd. De Romeinse bezetters zien Jezus als een rebel en laten hem kruisigen. De evangelisten vertellen een tragisch lijdensverhaal over Jezus, zij geloven dat hij door God is opgewekt uit de dood. Volgens het evangelie van Johannes, ontstaan in de religieuze smeltkroes van Alexandrië, is Jezus werkelijk Zoon van God. Hij was al van voor de schepping bij God. Hij is uit de hemel op aarde neergedaald. In hem is God mens geworden: de incarnatie. Volgens Johannes begint daarmee 'het wegnemen van de zonde', niet bij het kruis. De dood aan het kruis is niet het dieptepunt, maar symbool van verhoging en verheerlijking, het begin van de weg terug naar 'boven'.

 

De apostel Paulus

Paulus schrijft niet over Jezus van Nazareth als de joodse messias. Hij heeft een visioen waarin hij een openbaring ervaart van Jezus Christus als Zoon van God. Hij vertelt ook geen dramatisch lijdensverhaal over Jezus. Paulus stelt als betekenis van kruis en opstanding: het geloof in de gekruisigde Christus ter bevrijding van de zondige mens. Paulus schrijft ook dat hij 'met Christus is gekruisigd' en 'Christus leeft in mij'. De Grieks-Romeinse cultuur van die tijd, zal van invloed zijn geweest op de christologie van Paulus. Hij leeft daar en schrijft er zijn brieven aan de geloofsgemeenschappen van joden- christenen en heiden-christenen.

 

Concilie van Nicea

Eind 4e eeuw wordt besloten dat de mens Jezus van Nazareth uit de evangeliën, dezelfde is als Jezus Christus. Hij heeft een menselijke natuur en een goddelijke natuur. Uit de Mithrascultus en andere mysteriëgodsdiensten, kiezen de Romeinse keizers, het christendom als staatsgodsdienst.

 

Harm Bosscher (deze tekst is gebaseerd op 'Van Jezus naar christendom' door prof. dr. C.J. Den Heyer)

NB Dat ik eerst christus en zoon met kleine letters schrijf en later met hoodletters is geen vergissing.

Velen zijn gewend om God voor te stellen als een persoon. Carel ter Linden zegt daarover: wij moeten beseffen dat het daarbij gaat om een beeld, dat wij niet mogen overvragen door daaraan eigenschappen toe te kennen, die dat beeld niet dragen kan. Als het in de bijbel over God gaat, gaat het over ons mens- zijn als een opdracht. God, de Essentie van het bestaan, zoals het oude Israël dat heeft begrepen, is ethisch van karakter. De discussie of er een God 'bestaat' of niet, kunnen we achter ons laten, als we het woordje 'God' bewaren voor het geheim van deze wereld. De geboden hebben met dit geheim te maken, in de geloofstaal van de bijbel, met 'God'. De enige vraag die telt is: Wàt is het geheim van deze wereld en van het leven? Waar gààt het in dit leven om? Wat vrààgt het leven van ons?

 

God als het Essentiële

Carel ter Linden schrijft dat de gedachte van God als het Essentiële, helderheid schept in zijn kijk op het heilige krachtenveld dat hij wel 'God' wil blijven noemen. Door de kostbare verhalen van de bijbel, die nu eenmaal met de oude voorstelling van een God die in de hemel woont, verbonden zijn, kan hij het woord 'God' niet missen. Als hij het woord 'God' nader zou moeten omschrijven, zou hij zeggen: het gaat om een innerlijk ervaren beslissend appèl, tot verantwoordelijkheid voor deze aarde en alle leven. Om een samenleven in vrede en rechtvaardigheid gaat het, om een andere, meer humane wereld. De menselijke geschiedenis is een continu leerproces, in de ontwikkeling van de wereld naar een grotere humaniteit.

 

Het heilig krachtenveld

Het enige waarmee Carel ter Linden het woord 'God' zou willen verbinden, zijn de krachten die deze wereld in stand houden en het leven mogelijk maken. Krachten als liefde en trouw, recht en barmhartigheid, verontwaardiging over en bevrijding uit onrecht, vergeving, verzoening. Waar mensen strijd voeren tegen honger en armoede, waar wij deze aarde en haar rijkdommen leren delen, waar kinderen in vrijheid kunnen opgroeien en kansen krijgen om zichzelf te ontplooien, waar mensen naar elkaar omzien, daar is God in het spel. Waar in ziekenhuizen en in rampgebieden door artsen en helpers gevochten wordt om mensenlevens te redden, raken zij aan God.

 

De elementaire waarden

De uitzonderlijke inzichten van het oude Israël over recht en onrecht, wat humaan is en inhumaan, hebben eeuw na eeuw onze cultuur diepgaand beïnvloed. De samenleving mag, wat Carel ter Linden betreft, minder godsdienstig worden, als de verbinding met die elementaire waarden maar bewaard blijft.

 

Harm Bosscher (uit: 'Wat doe ik hier in GODSNAAM' door ds. Carel ter Linden)

Godsdienst, toen en nu

Godsdienst is een erfenis uit een tijdperk waarin God en mens samenwoonden in een ongebroken wereld. In de tijd voor 'de Verlichting' waren God, de kosmos en de leefwereld van mensen nog een geheel. Godsdienst is daarna rationeel geworden. In die rationele theologie is God een constructie geworden. Het gaat dan over kennis, feiten en waarheden over God: almachtig, alwetend, alomtegenwoordig. Dat godsbeeld wordt nu verlaten.

 

Religie zonder God

Theo de Boer en Ger Groot, hoogleraren filosofie, schreven in dialoog een boek met deze titel. Hiermee wordt bedoeld dat mensen in de godsdienst bezieling kunnen vinden zonder 'geloof' in het bestaan van God, zonder een geloofsleer met waarheden. Het inspirerende, ontroerende en vertroostende van religie, hangt volgens hen af van verhalen en rituelen die een religieus besef in stand houden, zoals het besef dat het kwetsbare bemind wordt. Mensen kunnen diep gehecht zijn aan die verhalen en rituelen.

 

De kracht van verhalen

In de bijbelse verhalen is sprake van God. Theo de Boer heeft een joodse kijk op die verhalen, op de mythen. Een bijbelse tekst wint aan kracht door interpretatie. De ethiek krijgt er bijna vanzelfsprekend een belangrijke plaats in. Hij noemt het 'bijbelse theologie'. Hij geeft twee voorbeelden. Genesis is niet een genetisch verslag, maar een levensles waarin verteld wordt hoe het met de wereld, met de mens, is gesteld. Er moet een halt worden toegeroepen aan de om zich heen grijpende chaos. Genesis 1 is een ballade, een levenslied, in strofen met refrein. In het Oude Testament kan het volk Israël, de koning, of een bijzonder rechtvaardige, de titel 'zoon van God' krijgen. Daardoor kan in het Nieuwe Testament, in het verhaal van de Joodse Jezus als de rechtvaardige, die titel ook aan hem worden toegekend.

 

De kracht van rituelen

Ger Groot zegt dat kerkelijke vieringen voor het leven van gelovigen betekenis krijgen door de beleving van rituelen. Gebeden, sacramenten, liederen, liturgische teksten, realiseren wat ze uitspreken. Gelovigen ervaren dan dat er God is, als kracht in hun leven. Het ritueel belichaamt de zinvolheid waar de gelovige naar zoekt. Geloof is niet het weten van iets, maar het besef, in de rituelen geschonken, dat het leven zinvol is en goed. Geloof ontstaat niet door denken maar door doen, door fysieke ervaring. Niet de gedachte maar de handeling geeft de doorslag bij mensen om te geloven. Eerst zijn er de rituelen, dan het geloof, daarna komt de ethiek.

 

Harm Bosscher

Post-theïsme is religieus denken na het theïsme dat ervan overtuigd is dat God bestaat en dat men van alles over God weet. Post-theïsten vinden 'de naam van God' wel waardevol, waarbij het echter niet duidelijk is wat het woord 'God' betekent. Bij post-theïsme gaat het erom het heilige te herkennen in het alledaagse door een andere manier van kijken: iets 'hogers of 'diepers' zien in het gewone. Post-theïsten worden gedreven door een ethische visie. Post-theïsme sluit soms aan bij elementen uit de christelijke traditie, maar het kan ook leiden tot deconstructie van traditionele opvattingen. Invloedrijke post-theístische denkers zijn o.a. de Italiaan Gianni Vattimo en de Ier Richard Kearny. Van hun visies geef ik een samenvatting. Over John Caputo schreef ik reeds eerder.

 

Visie van Gianni Vattimo

Vattimo schrijft in zijn boek 'Ik geloof dat ik geloof' dat ultieme zekerheid verloren is gegaan met de ontbinding van de traditionele metafysica van de bovennatuurlijke God en het absolute waarheidsbegrip. Het Nieuwe Testament spreekt over de 'incarnatie', over de 'menswording' van God. Vattimo: doordat God mens is geworden in Jezus en na de dood van Jezus als Geest de wereld is ingegaan, is God verdwenen. Het betekent dat God alleen nog aanwezig is als 'God van het boek', in de bijbelse verhalen, steeds opnieuw geïnterpreteerd door de gemeenschap der gelovigen. Het maakt een nieuwe relatie tot God mogelijk, niet God als de verheven God 'daarboven', maar als één van ons. God niet als heer, maar als vriend. Zoals Jezus zegt: 'Voor mij zijn jullie geen dienstknechten meer … vrienden noem ik jullie'. De interpretatie die Jezus geeft van het Oude Testament, van de wet en de profeten, is de op barmhartigheid gebaseerde verhouding tussen God en de mensheid en ook tussen mensen onderling.

 

Visie van Richard Kearny

Kearny schreef het boek 'The God Who May Be'. God kàn zijn en moet daarom worden begrepen als mogelijkheid en niet als feitelijkheid. Je kunt de 'plaats' van God daarom beter in de toekomst denken dan in de hemel of in het oerbegin. Kearny meent dat God volgens de Bijbel beloften doet die pas in de toekomst werkelijkheid zullen zijn. Het hangt af van onze menselijke verantwoordelijkheid, door te strijden voor rechtvaardigheid. God roept vanuit de toekomst mensen op, in te gaan op het appèl van de medemens die lijdt of in nood is, Dat appèl van de lijdende ander, is God. De God die zichzelf in Exodus de naam 'Ik ben die ik ben' geeft, noemt Kearny 'de Ene die-zal-zijn'. God is volgens Kearny zélf een belofte. Als wij trouw blijven aan die belofte, dan zal 'Ik-ben-die-kan-zijn' eindelijk worden wat beloofd is: een koninkrijk van liefde en rechtvaardigheid.

 

Harm Bosscher (uit: 'God, iets of niets?' door Taede Smedes)

Religieus komt van religare dat verbinden betekent. Mensen die een diepe verbondenheid ervaren met de natuur, noemen zich religieus naturalisten. Dat leidt tot gevoelens van eerbied voor het leven en voor de scheppende kracht van de kosmos, tot gevoelens van ontzag en ook van nederigheid. Dat komt tot uiting in morele gevoeligheid voor de kwetsbaarheid van het leven en voor de ecologische balans in de natuur. Morele waarden die hieraan beantwoorden, zijn: verzorging, empathie, compassie, liefde en opoffering. 

Religieus naturalisten kunnen niets met met het idee van een bovennatuurlijke God, laat staan met het idee van een ontwerper-God die af en toe ingrijpt in het universum. Zij ervaren dat ze ingebed zijn in 'Het Epos van de Evolutie', het verhaal van de evolutie van de kosmos en van de evolutie van het menselijk bewustzijn. Dat is voor hen het zinstichtend verhaal. 

Belangrijke religieus naturalisten zijn o.a.  Albert Einstein en Chet Raymo.

 

Visie van Albert Einstein

Albert Einstein kreeg in 1921 de Nobelprijs voor Natuurkunde, hij was o.a. bijzonder hoogleraar in Leiden. Hij noemt zich gelovig, omdat hij een sterk besef heeft van de sublieme schoonheid en verhevenheid van het universum. Hij verzet zich tegen het idee dat hij atheïst of pantheïst zou zijn. Zijn idee van God is dat er in de wetten van het universum een bepaalde geest aanwezig is die superieur is aan de geest van de mens en die zich openbaart in het onbevattelijke heelal. Bij Einstein is er ontzag voor de menselijke geest, de ratio, die blijkbaar in staat is om in die orde van het universum door te dringen en er de schoonheid van in te zien. Maar de ultieme kennis wordt niet bereikt.  Voor Einstein is religiositeit verbonden met ervaringen van het mysterieuze als een fundamentele emotie. Einstein gelooft niet in een God die zichzelf bezighoudt met het lot en de handelingen van mensen. 

 

Visie van Chet Raymo

De astronoom Chet Raymo noemt zichzelf religieus naturalist. Volgens hem is onze wetenschappelijke kennis een eiland in een oneindige zee van mysterie. Wij mensen bewonen de kustlijn van dat eiland. We hebben één voet op de droge grond van de feiten, met onze andere voet staan we in de zee van het mysterie. Staande op de kust, kunnen we niet anders dan ons verwonderen. Zijn boek:  'When God is Gone Everything is Holy' gaat over zijn religieuze, mystieke idee van het heilige van de werkelijkheid, maar zonder een bovennatuurlijke God. Hij is van mening dat de god van het theïsme te veel naar het beeld van de mens gemaakt is. Raymo wijst op de onkenbare God van mystici: we staan op de kust van kennis en kijken uit op de zee van het mysterie en noemen zijn naam...   

Harm Bosscher

(uit: 'God, iets of niets' door Taede A. Smedes)

 

 

 

Religieus zijn houdt in dat er een persoonlijk besef is van opgenomen te zijn in een groter geheel. Dat er een transcendente dimensie van de werkelijkheid is die de mens overstijgt, omgeeft en doordringt. 

Transcendentie verwijst voor religieus atheïsten echter niet naar een verticale bovennatuurlijke werkelijkheid. Het gaat bij hen om  horizontale transcendentie in de ene  werkelijkheid die er is. Voor hun persoonlijke spiritualiteit putten religieus atheïsten inspiratie uit die ene  werkelijkheid. Spiritualiteit als grondhouding tegenover het leven en hoe dat geleefd zou moeten worden.  

 

Mysterie en verwondering

Religieus atheïsten leggen de nadruk op verwondering en op het mysterie. Door de   alledaagse werkelijkheid kan je  gefascineerd en verwonderd raken. De  werkelijkheid waaruit je bent voortgekomen, die je gebaard heeft, die heilig voor je is. Een werkelijkheid waardoor je je ook aangesproken kan voelen. Die iets van je vraagt en waaraan je actief wil deelnemen. 

Mysterie en verwondering worden ervaren als transcendentie, als iets dat je overkomt. Dat alles geldt ook voor godsdienst, daarom is godsdienst ook religieus, maar religieus-zijn is niet noodzakelijk verbonden met godsdienst, met een bovennatuurlijke werkelijkheid. De transcendente dimensie van de werkelijkheid kan daarom God genoemd worden, maar ook het mysterie of het heilige.

 

Het religieuze en de moraal

Volgens de Franse filosoof Luc Ferry vormt religie niet de grondslag, de basis, van de moraal. Het religieuze ligt voor hem in de toekomst, het is dat waar de moraal op uitloopt. Vandaar dat hij het religieuze een horizon noemt. Het gaat bij het religieuze om waarden waar we naar streven. Om de moraal, de ethiek, de naastenliefde. Die waarden zijn onderdeel van onze werkelijkheid, ze zijn algemeen geldig, ze hebben een vorm van heiligheid. Ze worden niet door ons gemaakt, ze worden door ons ontdekt. Waarden verbinden mensen, maar er is niets bovennatuurlijks aan. 

Het religieuze behoort tot de aard van de mens. Ieder mens heeft een 'antenne' voor transcendentie, als iets dat de mens overstijgt, verticaal of horizontaal. Het religieuze is het kloppende hart van onze cultuur. Het vervloeien van de grens tussen geloof en ongeloof is daarbij een kenmerk van onze  hedendaagse samenleving.             Harm Bosscher

(Uit 'God iets of niets' door Taede Smedes. Zijn  uitgestelde lezing zal plaats vinden op zondag  27 september van 15u. tot 17u. in het Dorpscentrum, met 1½ meter afstand! Aanmelding noodzakelijk bij Gerrie Kooijman-van Andel: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. , tel. 06-1839 2604 of 

 

In het voorwoord van het boek 'Geloof zonder zekerheid', schrijft Christa Anbeek, hoogleraar remonstrantse theologie, over 'het huis van geloven' waarin je vroeger kon wonen, schuilen voor de regen en stormen die het leven met zich meebrengt. In de moderne tijd is dit 'huis van geloven' door velen onbewoonbaar verklaard.  Anderen proberen het 'huis van geloven' te behouden door het te verbouwen. De fundamenten laat men staan, de muren worden transparant, zo ongeveer helemaal van glas, ramen aan alle kanten die ook nog open kunnen. Huizen die soms bijna niet meer van het omringende landschap zijn te onderscheiden. Geloof, wetenschap en cultuur gaan hand in hand.

 

Traditionele visie 

Volgens de middeleeuwse visie heeft de wereld een vaststaande hiërarchische orde. De geschiedenis heeft een duidelijke richting en doel. Het doel van de natuur is het dienen van de mensheid en het doel van de mensheid is het dienen van God.  Sociale structuren en instituties worden gezien als door God ingesteld. Die traditionele visie maakt onderscheid tussen het natuurlijke bestaan van de mens en een bovennatuurlijke God die vanuit die positie met en in de wereld handelt door openbaring, wonderen en menswording in Jezus. Dit wereldbeeld is onderdeel van de theologie tot ver in de achttiende eeuw en min of meer ook in sommige kringen tot op de dag van vandaag.

 

Vrijzinnige visie

Vrijzinnig religieus denken ontstond in de 19e eeuw, gebaseerd op de Verlichting. De georganiseerde vrijzinnigheid in kerkelijk Nederland is ontstaan rond het begin van de 20ste eeuw. Vrijzinnige gelovigen wijzen een statische visie af. Zij ondernemen een zoektocht naar wat zinvol, waardevol is, met behoud van daarbij passende elementen uit de traditie. Geloof moet niet gebouwd zijn op dogma's en institutionele structuren. Vrijzinnigen hechten veel waarde aan de resultaten van de wetenschap en aan menselijke ervaring. De vrijzinnige opvatting over religieuze- of innerlijke ervaringen is dat ze niet los staan van begrippen, symbolen en voorstellingen die we geërfd hebben van onze cultuur, in het bijzonder via de taal.      

 

Postmoderne visie

In de postmoderne denkwereld van de 21ste eeuw bestaat geen zekere kennis en geen ultieme waarheid. Wat men vroeger zag als waarheid, wordt nu gezien als interpretatie. Het begrip 'God' kan bijvoorbeeld geïnterpreteerd worden als het geheel van de creatieve kosmische- en evolutionaire krachten in het universum die ons bestaan grondvesten en dragen. Er bestaat geen Groot Verhaal meer. Mensen  leven nu in verschillende 'gelovige' verhalen: politiek, religieus, sociaal. Het zijn producten van hun eigen verbeeldingskracht. Maar ook dan geldt:  geloof zonder zekerheid. Harm Bosscher

(Uit 'Geloof zonder zekerheid. Vrijzinnige theologie in de 21e eeuw' door Paul Rasor die van 2015 tot 2017 verbonden was aan de Rijksuniversiteit Groningen)

 

 

 

 

Niet God spreekt

De bijbel wordt soms wel ‘Gods woord’ genoemd. Dat is riskant, zegt Carel ter Linden, omdat het suggereert dat God zelf daar aan het woord is. Het gaat in de bijbel om liefde en recht en trouw en verzoening. En omdat deze waarden, deze elementaire beginselen zelf niet spreken kunnen, heeft de mens ze een stem gegéven. Omdat ze zó belangrijk, zo beslissend voor het leven en onze samenleving zijn, wil het hier geen chaos worden. Het is geen God die spreekt. Het is het gelóóf van de profeet die zijn inzicht God in de mond legt. Ook als het gaat om de  evangeliën, moeten wij ons bedenken dat tussen wat ons is overgeleverd en de eigenlijke Jezus, altijd de evangelist zelf zit, die Jezus óók woorden in de mond legt. 

 

Zo'n god is er niet

Volgens Carel ter Linden hebben we steeds meer moeite met een God als een onafhankelijk van de mens en zijn wereld bestaande werkelijkheid, die de geschiedenis der mensen op een verborgen manier leidt. Denk daarbij aan allerlei afgrijselijke ziekten waartegen de mens eeuwenlang weerloos was, en ondanks de toename in medische kennis en techniek, ook altijd weerloos zal blijven. Vergeet niet hoe de mensen in de Middeleeuwen geleden hebben, maar denk ook aan hedendaagse ingrijpende ziekten. Het is godgeklaagd dat er geen god is die dat tegenhoudt, en roept: tot hier toe en niet verder! Maar zo’n god is er niet. Het enige wat er is, is de mógelijkheid dat mensen zelf beseffen dat er grenzen zijn aan wat zij doen kunnen. Dat zij zélf tegen anderen of tegen zichzelf zeggen: tot hier toe en niet verder. 

 

Het woord 'God'

Carel ter Linden denkt dat wij er niet aan ontkomen om, met alle verwarring die het gebruik van het woord ‘God’ oproept, met de bijbelse verhalen mee, toch dit woord te gebruiken om daarmee die eeuwige waarden aan te duiden. Maar hij pleit voor het woord ‘Geest’. God is een gééstelijke werkelijkheid. Voor die Geest van God hebben wij mensen ook een speciale antenne, en dat is onze ménselijke geest. Wij moeten dan ook zorgen dat we op die Geest van God lijken. Het lijkt met ons soms nergens naar. Wij zullen voor elkaar als die Geest van liefde, recht en barmhartigheid hebben te zijn.                   Harm Bosscher        

(Uit de lezing van ds. Carel ter Linden op 20 oktober 2019: 'Ik geloof in God', wat bedoel je daarmee? N.a.v. zijn boek 'Bijbelse Miniaturen')         

De Franse filosoof Emmanuel Levinas (1906-1995) is als Joodse jongen geboren in Litouwen, was scholier in de Oekraïne, studeerde filosofie in Straatsburg, werd genaturaliseerd Fransman, was vier jaren  krijgsgevangen in Duitsland, werd hoogleraar in Parijs met een eredoctoraat in Leiden. 

Het is de Holocaust, de dood van zes  miljoen Joden – Levinas verloor zijn ouders, zijn broers, zijn vrienden en zijn  geloofsgenoten – waardoor Levinas scherp nadenkt over de verhouding van de mens tot de medemens en tot God. De kern van religieus geloof is voor Levinas de opdracht de humaniteit te redden. 

 

God aanwezig en afwezig

In het denken van Levinas is zowel plaats voor de aanwezigheid als voor de  afwezigheid van God. Hij is aanwezig in de woorden van de Thora, in de leefregels voor het Goede leven. Door het bestuderen en overdenken van die woorden is God  steeds opnieuw met de werkelijkheid  verbonden. Het is een inspiratiebron voor rechtvaardigheid en solidariteit. Levinas interpreteert solidariteit als momenten waarop iets van het Goede en daarmee van God zichtbaar wordt. Dat God ook afwezig, verborgen, kan zijn, is een onmisbaar stadium op de weg naar religieuze volwassenheid.

 

Godsdienst voor volwassenen

Het lijden in de Tweede Wereldoorlog is voor Levinas een ervaring van Gods afwezigheid. In die godverlatenheid ontdekt de mens dat hij zelf verantwoordelijk is.  Het joodse geloof is volgens Levinas een godsdienst voor volwassenen. Het is een religie die het kinderlijk geloof heeft afgelegd, maar ook door het stadium van atheïsme is heengegaan. De gedachte aan God overkomt ons in de ethische ervaring,  als het heilige in alledaagse situaties, in  een ethiek van naastenliefde en compassie. Levinas interpreteert dit als: 'je zult niet doden' of 'je zult de ander niet in de steek laten'. 

 

Het gelaat van de medemens

Levinas ziet in het gelaat van de medemens die ons nodig heeft, een spoor van God die voorbij is gegaan. Het gelaat van die medemens raakt je onmiddellijk, het overkomt je, Levinas noemt het transcendentie. Je ervaart een onontkoombaar appèl op je verantwoordelijkheid. Door in te gaan op dat appèl vind je pas je identiteit. Het legt beslag op je vrijheid, maar het werkt ook  bevrijdend door het loskomen van het gericht zijn op jezelf. Volgens Levinas gaat het bij het religieuze verlangen van de mens naar de nabijheid van God om bevestiging van jezelf. Het moet daarom onderbroken worden, en omgebogen worden in een ethisch verlangen naar de nabijheid van de medemens.                 

                                        Harm Bosscher

(Deze tekst is gebaseerd op het boek 'Van zichzelf bevrijd, Levinas over transcendentie en nabijheid' 2019, door Renée van Riessen. Zij is o.a. bijzonder hoogleraar christelijke filosofie in Leiden) 

 

 

Dood van Jezus

Het sterven van de Joodse Jezus betekent de voltooiing en bevestiging van een leven waarin hij zijn volk opriep tot trouw aan het verbond met God. Sommige mensen denken dat Jezus moest sterven voor hun zonden, maar dat is een orthodoxe visie,  hij kwam om te leven! Hij belichaamde  liefde en barmhartigheid met zijn leven. Hij  raakte, in de radicaliteit waarmee hij de Thora uitlegde en toepaste, aan de wortels van de samenleving. Dat kan de leiders van Jeruzalem ertoe hebben gebracht zich van Jezus te willen ontdoen. 

 

Opstanding van Jezus

Opstanding betekent dat al wat Jezus in zijn leven gezegd en gedaan heeft in Gods geest, niet meer van deze aarde is weg te denken. Hij sterft, zijn lichaam begeeft het, zijn denken en voelen wordt uitgewist. Hij  is gedood, maar zijn geest leeft voort in zijn volgelingen.  

De evangelisten hebben met hun voorstelling van een uit zijn graf bevrijde en tot nieuw leven gewekte Jezus, aansluiting gezocht bij de Grieks-Romeinse denkwereld van die dagen, vertrouwd met het idee van opwekking uit de dood van halfgoden, koningen en helden. Deze opvatting was echter niet Joods.  

 

Verschijning van Jezus 

Verschijningsverhalen zijn in de Joodse en niet-Joodse cultuur van die dagen vrij algemeen. Het gaat daarin  niet om een feitelijke toedracht, maar om een diepzinnig verhaal.

Essentieel in het Paasgebeuren is wat de leerlingen van Jezus overkomt na zijn dood als zij 'in zak en as zitten', diep in de put zitten, verbijsterd en verlamd zijn. Zij hadden de deur op slot gedaan, maar plotseling ervaarden zij hem als in hun midden. Zij komen tot inzicht wie hij werkelijk in zijn leven voor mensen is geweest. In hen ontwaakt het besef dat het nu op hen aankomt. Hij is als het ware opgestaan in het leven van zijn volgelingen, waardoor hun leven  verandert. 

 

Erfenis van Jezus 

Wie door de persoon van Jezus geraakt is en zich in het leven op hem wil oriënteren, erft daarmee ook zijn inspiratiebronnen: de Thora en de Profeten uit het Oude Testament, met al wat dat inhoudt aan verantwoordelijklheid voor de medemens.  De toekomst van de wereld en de zin van het mens-zijn, staan of vallen met de vraag of mensen zich willen laten leiden door de geest van God, door wie ook Jezus van Nazaret zich in zijn leven gedragen wist.  Waar mensen in de omgang met elkaar zich daardoor laten leiden, gebeuren dingen ten goede. Al wat in het leven van mensen in die geest is, vormt een onmisbare schakel in het grote proces van de wording van deze wereld.                                        Harm Bosscher

(Deze tekst is gebaseerd op: 'Wat doe ik hier in GODSNAAM' en 'Wandelen over het water' door ds. Carel ter Linden)

 

 

 

De bijbel denkt God buiten de mens en buiten deze wereld. Die verbinding van de bijbelse verhalen met een hemelse God,  hangt ongetwijfeld samen met het feit dat de mensheid vanaf haar ontstaan de oorsprong van het raadsel van deze wereld en van alle leven, gewend was te zoeken in een bovenaardse werkelijkheid van goden. Een wereld waar het volk Israël zo’n 3500 jaar geleden mee brak. De zon, de maan, de regengod, de donder, ze verloren hun goddelijk karakter. 

 

De mens en God

Ik denk, zegt Carel ter Linden, dat wij de oorsprong van de geboden, van de eeuwige beginselen van recht en liefde en humaniteit, moeten zoeken bij de mens. Die werkelijkheid die wij vanouds God noemen, gaat niet aan de mens vooraf, maar zij is uit de mens voortgekomen. Het is niet eerst God en dan de mens. Het is andersom: eerst is er de mens, en die vormt zich goden, en daarna één God, en die God wordt sindsdien het morele kompas voor de mens. 

 

De God van de traditie

Carel ter Linden vraagt zich af: Kunnen wij het woordje ‘God’ vandaag nog wel gebruiken? Er heeft zich in de loop der eeuwen binnen de christelijke traditie een voorstelling van God gevormd als een geheel autonome, onafhankelijk van de mens en zijn wereld bestaande werkelijkheid, die denken en handelen kan, en zich van zichzelf bewust is. Een God die deze wereld zou hebben geschapen en de geschiedenis der mensen op een verborgen manier leidt. Een werkelijkheid die de macht heeft om gebeden van de mensen te verhoren, of niet te verhoren. 

 

Ons bestaan in de kosmos

Carel ter Linden kan geen enkele verbinding leggen tussen aan de ene kant de God uit de bijbel en aan de andere kant ons natuurlijke bestaan als deel van de kosmos. Denk aan hedendaagse  ingrijpende ziekten en ook aan het lijden dat wij mensen elkaar aandoen. Ook aan het lijden dat met de natuur zelf gegeven is, met de natuurrampen met onnoemelijk leed voor mens en dier. De natuur is een duister mysterie. 

 

God niet in de natuur

Voor dat mysterie van de ons omringende natuurlijke werkelijkheid wil Carel ter Linden nooit het woord 'God' gebruiken. De God van de bijbel kan hij in de natuur  nergens ontdekken. Het bijbels geloof vraagt de navolging van de eeuwige beginselen, zoals de profeten en Jezus van Nazareth die hebben verstaan en ons hebben voorgeleefd.         Harm Bosscher

(uit de lezing 'Ik geloof in God', wat bedoel je daarmee? door ds. Carel ter Linden)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ds. Co Kooman –  hij was predikant in Oegstgeest van 1981 tot 2003 –  hield enkele jaren geleden voor ons zijn lezing 'De Joodse Jezus en de Christelijke Jezus'. Zijn vraag is: Was Jezus een Jood of een christen? Als Jezus had geleefd in de tijd van onze ouders en van onszelf, dan was hij ook weggevoerd naar een van die oorden van verschrikking en daar waarschijnlijk ook omgebracht, want Jezus was ook maar een Jood...                  Harm Bosscher

 

De christelijke Jezus

Dat was dan het resultaat van een eeuwenlange, uiterst problematische relatie tussen christendom en Jodendom. In toenemende mate ging de christelijke kerk zich toe-eigenen wat aan het Joodse volk toebehoorde. Een lange traditie van weggroeien van onze Joodse wortels.

De Joodse bijbel, later het Oude Testament genoemd, werd door de kerk christelijk geïnterpreteerd. Het Verbond van het Joodse volk met de Eeuwige werd vervallen verklaard en de erenaam Israël werd opgeëist voor de kerk als 'het ware Israël'. Jezus werd  steeds meer aan zijn eigen volk ontnomen. Hij werd als een van ons gezien, als niet-Jood.  

 

De Joodse Jezus

Er is nu een denken over een meer Joodse Jezus. Professor Den Heyer heeft het de thuiskomst van de verloren zoon genoemd. Voor Joodse geleerden, schrijvers en schilders bleek Jezus verrassend nabij. Zij hebben ons als christenen geholpen om hem te laten thuiskomen. Dat valt nog niet zo mee, want dan laten we hem van ons weggaan, dat doen we niet graag.

We moeten leren om Jezus te laten zijn wat hij is voor zijn volksgenoten en zijn volgelingen: een Jood. Dat de Joodse Jezus een stem hoorde die woorden sprak van de profeet Jesaja, toont aan dat Jezus zijn roeping heeft verstaan vanuit de profetieën van deze Jesaja.    

 

Een nieuwe christologie

Wie is hij, die Jood die wij willen volgen? Want ons volgen gaat aan al ons nadenken en theologiseren vooraf; de praktijk gaat voor. Wat doen wij eigenlijk als wij het Oude Testament lezen waarvan het eerste adres Israël is en blijft. Het Nieuwe Testament is in een Joods milieu ontstaan, het is Joods en anti-Joods tegelijk. Zijn we ons dat wel bewust? In ieder ontwerp van een nieuwe christologie, van een vernieuwde uitleg van het christelijk geloof in Jezus, zal de Joodse context van Jezus de absolute grens zijn waarbinnen wij onze visie kunnen vormgeven.