Voordracht prof Benjamins

Lezing gehouden 8 november in het Dorpscentrum Oegstgeest door prof. Dr. R. Benjamins

 

I

Begin dit jaar verscheen het boek ‘Liberaal christendom: Ervaren, Doen, Denken’, dat geschreven is door tien auteurs afkomstig uit de VVP en Op Goed Gerucht. Dat boek is inmiddels in een derde druk verschenen.

- Wij maakten ons bezorgd over het conservatisme in de kerk en wilden graag een meer open en vrijzinnig geluid laten klinken dat meer bij de tijd was. 

- Dat heeft ons lang gekost. Wij hebben in onderlinge gesprekken een koers uitgezet, individueel een aantal thema’s uitgewerkt en we hebben daarbij voortdurend discussies gehad. Het boek is daardoor echt groepswerk geworden waarin we ons aan elkaar gescherpt hebben. We vulden elkaar aan, verbeterden elkaar en spraken elkaar tegen en we namen daarbij natuurlijk ook voortdurend gedachten van elkaar over. Daardoor kwam er een boek waarin ieder eigen accenten heeft, maar waarin toch ook een heel grote samenhang zit. Het is een boek geworden dat niet één persoon had kunnen schrijven. Het groepswerk is niet alleen maar feest, maar levert heel veel op.

- De titel van het boek heeft ons heel lang bezig gehouden. Vrijzinnig christendom viel af, omdat het mikte op een breder publiek. Uiteindelijk is het liberaal christendom geworden. Het grootste bezwaar is, dat ‘liberaal’ een politieke bijklank heeft. Maar vergelijk het met liberaal jodendom of liberale islam.

 

 

II

Er liggen een paar belangrijke opvattingen ten grondslag aan het boek.

 

Geloven is een praktijk

Wat wij vooral beweren is dat geloven een manier van ervaren, doen en denken is. Het is een praktijk, die mogelijk wordt gemaakt door de christelijke taal. Het gaat om de manier waarop je in de wereld staat, niet om de opvattingen die je hebt over de wereld. Natuurlijk is er een samenhang, maar de nadruk ligt niet op de zogenaamde waarheid van een christelijke wereldbeeld. Aan de ene kant leggen we dan een focus op de begrippen, de symbolen en de taal, aan de andere kant laten we zien hoe dat taalveld een bepaalde levenshouding informeert. Vandaaruit zijn enerzijds hoofdstukken opgenomen over begrijpen, waarheid, Geest, Jezus, Christus, God, Bijbel en anderzijds over geweld, vrijheid, liefde, seks, creativiteit. 

 

De christelijke begrippen, symbolen en taal willen we open en vrijzinnig interpreteren

Het gaat om de levenshouding, maar die wordt geïnformeerd en gevormd door een taal die we open, vrijmoedig, vrijzinnig willen interpreteren. Dat betekent dat we ons in de christelijke traditie plaatsen, dus eerder aan de christelijke dan aan de post-christelijke kant, maar daarin wel interpreterend willen staan en geen instantie  veronderstellen van kerk of bijbel die geloof voorschrijft of bepaalt anders dan de eigen toe-eigening in gesprek met traditie en anderen.

 

Wij hoeven de christelijke traditie niet nog een keer onder schot te nemen

Dat is een generatiedingetje. Het is zonneklaar dat wij veel te danken hebben aan mensen als Kuitert, Hendrikse, Carel Ter Linden en anderen, maar we hoeven hun kritiek niet over te doen. Wij wilden schrijven ná Kuitert, ná Hendrikse. 

 

Het christelijk verhaal oriënteert 

Geloven is een praktijk, een manier van in de wereld staan. Het christelijk verhaal helpt ons om ons te oriënteren in de wereld, onder God, op anderen. Dat levert volgens ons handelingsperspectieven op. Een strikt wetenschappelijke kijk levert geen handelingsperspectieven op. Religie is juist hierom belangrijk, omdat hierin een verhaal vertelt wordt van hoe wij in de wereld staan, dat dieper gaat dan de wetenschap.

 

 

III

In deze lezing richt ik mij als speciaal aandachtsgebied graag op de manier waarop oude vrijzinnige gedachten zijn doorvertaald of gewijzigd in een postmoderne context.

 

Wat is postmodern? 

 

In de pre-moderniteit geldt als belangrijk argument: ‘er staat geschreven’. Als je wilt weten hoe de wereld in elkaar zit, moet je beginnen bij God, want God is het begin en het fundament van alles. God heeft zich geopenbaard en die openbaring vind je in de bijbel. Daaruit kun je een objectieve sociale en morele wereldorde afleiden. 

 

In de moderniteit geldt als belangrijkste argument: ‘onderzoek heeft aangetoond’. We moeten niet beginnen bij God, maar bij ons eigen denken. Wij onderzoeken de wereld. En op basis van dat onderzoek kunnen we met onze eigen redelijkheid tot inzicht komen. Op basis van redelijke inzichten kunnen we zelf een goede sociale en morele wereldorde inrichten.

 

In de postmoderniteit zijn we het geloof in God en in een redelijke wereldorde kwijtgeraakt. We leven in een pluriforme en globale samenleving waarin mensen vanuit verschillende achtergronden verschillend naar de wereld kijken. We kunnen niet zeggen hoe de wereld er echt uitziet, want de wereld ziet er steeds verschillend uit, afhankelijk van het verhaal waarin mensen zitten. Dat kan leiden tot relativisme of tot een soort agressief soort zelf-poneren.

 

Wat heeft dat met vrijzinnigheid te maken?

 

De vrijzinnigheid is sterk geworden in de moderne wereld. Kritiek op schrift en kerk. ‘Er staat geschreven’ werkt niet meer, het geloof moet bij de tijd gebracht worden en niet tegen wetenschappelijke en redelijke inzichten ingaan. De wereld ziet er anders uit dan de kerk altijd heeft gedacht en van de oude opvattingen moeten we af. Aanpassen aan de wetenschap en vrije omgang met de traditie.

 

In de post-moderniteit heeft de vrijzinnigheid het moeilijk: wat is jullie verhaal?  

 

Een basisgedachte voor ons boek: centraal in het christendom staat de gedachte van de incarnatie en de naastenliefde. God is mens geworden. Wat boven ons uitgaat is onder ons aanwezig. God ontledigt zich: geeft zichzelf uit handen en  wordt verwerkelijkt door een mens. Er gaat dus iets boven ons uit, maar dat is onder ons of tussen ons aanwezig. Als God wordt verwerkelijkt in mensen, ook in andere mensen, en dat maakt naastenliefde tot een centrale notie. Als het zo ligt, is er geen relativisme en ook geen agressief zelf-poneren. 

 

IV

Hoofdstuk 7 over God

Wie een God heeft, laat zich bewegen door de kwetsbaarheid van anderen, tot goedheid en schoonheid en medelijden en laat zichzelf een grens stellen. 

 

Door de godsdienstkritiek hebben wij afscheid genomen van God en een vaststaande sociale en morele orde in de wereld: waarden en normen zijn door mensen bedacht en relatief.

 

Waarvoor houden moderne mensen halt en waardoor laten ze zich gezeggen?

 

God is de stem waardoor ik mij laat gezeggen, tot goedheid bewegen en mijzelf een grens stel. Die stem hoor je niet direct, maar alleen maar door de mond van anderen. Of God ‘bestaat’ kun je daarom niet zeggen, je kunt van God alleen maar zeggen hoe hij tot ons spreekt. 

 

Waar wij ons laten gezeggen, nemen wij Gods bestaan serieus, doordat wij God laten bestaan. In die zin is God van ons afhankelijk. Dat waar ‘God’ voor staat, krijgt in de wereld een bestaan als het door ons wordt verwerkelijkt.

 

God is geen God van almacht, soevereiniteit en theodicee, maar een God die kan zijn, die mogelijkheden aanreikt door ons op te roepen, zodat wij boven onszelf uitgetrokken worden. God geeft ons dat wij nodig zijn. 

 

(Jezus maakt van God een werkelijkheid doordat hij God in de wereld belichaamt)

 

V

Hoe klinkt hierin ‘postmodern denken’ door?

Er is niet een God die zich heef geopenbaard en die vertelt hoe de sociale en morele wereldorde in elkaar zit. De wetenschap en de rede kunnen ook niet zeggen wat wel of niet redelijk is. Wat redelijk is, is voor Europeanen, Chinezen en Afrikanen verschillend ingekleurd. Maar in allerlei verschillende contexten kunnen wij wel de stem van God horen. Nooit objectief, maar door de subjectiviteit heen. Ik kan nooit buiten mijzelf om bewijzen dat er een God bestaat. Maar ik kan mij wel laten oproepen om boven mijn subjectiviteit uit te komen, door mij te laten oproepen en gericht te zijn op anderen.