Lezing Eckhart

Inleiding:

Het leven van Eckhart in grote lijnen en zijn Levenslessen

Er zijn slechts brokstukken van het leven van Eckhart bekend, zoals dat van velen in de Middeleeuwen geldt.

Eckhart van Hochheim is geboren in 1260 of zelf 10 jaar eerder. Hij treedt al vroeg in bij de dominicanen in Erfurt. Volgt zijn studie in Parijs en Keulen, een studieperiode van in totaal van 16 jaar. We kennen wel het curriculum, maar we weten over die vroegste periode heel weinig. Het eerste harde bewijs van het bestaan van Eckhart dateert uit 1294.

De dominicaanse orde (ordo praedicatorum) was gesticht in 1215 door Dominicus Guzmán. Het doel was, zo bepaalde de paus, de prediking te bevorderen en de inquisitie, om de ketterij te bestrijden. Een uiterst ambivalent gegeven als we bedenken dat Eckhart daar later zelf op afgerekend werd.

1294-1298: de eerste Erfurter periode

In deze vroegste periode (1294-98) is het traktaat ‘die Rede der Unterscheidunge’ ontstaan. Eckhart is dan prior van het klooster in Erfurt en tevens vicaris van de provincie Thüringen. Straks kom ik terug op dat traktaat.

1302-1303: eerste Parijse periode

Hij is enige jaren magister in Parijs, het centrum van de toenmalige wetenschap. Geleerden als Albertus Magnus en Thomas van Aquino gingen hem voor. Hij hoort bij de topgeleerden in die tijd.

1303-1311: tweede Erfurter periode

In deze periode is hij provinciaal van de provincie Saksen. Hij moet als provinciaal van de orde der dominicanen toezien op 47 broederkloosters en 9 zusterkloosters. Dat betekende dat hij juridisch en zakelijk advies gaf, als ook dat hij zich liet informeren over de harmonie en conflicten in de orde. Hij kon zelfs de prior van een gemeenschap afzetten. 

Veel preken zijn in die tijd ontstaan. Hij reisde veel door het hele gebied. Zijn positie als provinciaal zegt ook iets over het aanzien dat hij genoot. Of hij zich daadwerkelijk met de dominicanessen bezighield is maar zeer de vraag, daar had hij weer zijn mensen voor.

1311-1313: tweede Parijser periode

Van 1311 wordt Eckhart naar Parijs gehaald om als magister aan de universiteit te doceren. Hij vertegenwoordigt daarmee de provincie Teutonie. In Parijs schrijft hij academisch werk o.a. “Opus tripartitum”. Ook dit getuigt van het grote gezag dat hij genoot.

1313-1323: Straatsburg

In 1313 wordt hij vicarius generaal in Straatsburg, de hoofdzetel van de magister generaal van de orde van de provincie Teutonie. Hij heeft dan de speciale taak om toezicht te houden op of pastorale zorg te verlenen aan de Dominicanessen en de Begijnen (leken die een religieus leven leidden). Helemaal zeker is dit overigens niet, omdat daarvoor hard bewijs ontbreekt. Het is mogelijk, omdat er in de Elzas conflicten ontstaan rond de begijnen en ‘de secte van de vrije geest’. Sommige geleerden zeggen dat Eckhart onder invloed stond van deze bewegingen, of dat hijzelf invloed op deze stromingen heeft uitgeoefend. Iemand als Margaretha van Porete, die in 1310 ter dood is veroordeeld vanwege haar ideeën, heeft Eckhart nooit gekend. Toch toont zijn denken soms overeenkomsten met die van Margaretha, maar dat wijst meer op verwantschap dan afhankelijkheid.

In deze Straatsburgse en de daaropvolgende Keulse periode heeft Eckhart vele preken gehouden, die soms te lokaliseren zijn. Van veel preken weten we niet waar deze zijn gehouden.

1323-1327: de Keulse periode

In 1323-24 gaat Eckhart naar Keulen, wat zijn rol daar is, is niet geheel duidelijk. Men neemt aan dat hij daar hoofd werd van het studium generale, maar ook nu ontbreekt daarvoor bewijs.

In 1311 worden de begijnen in de Rijnstreek veroordeeld, van nu af aan is deze beweging verboden. Later in 1319 worden de dominicanen en franciscanen van Keulen veroordeeld omdat ze de begijnen steunen.

In Keulen bestond een groep van vrije geesten. Een priester wordt veroordeeld. Het betreft ene Waltherus, die in het boek van Simon Vestdijk een hoofdrol speelt.

1325-1329: Het proces tegen Meister Eckhart

Pinksteren 1325 is er een schrijven van de paus aan de orde van de dominicanen waarin o.a. preken in de volkstaal voor ongeletterden worden verboden. Later dat jaar stuurt de paus twee vicarissen naar de Duitse provincie Teutonië om orde op zaken te stellen. De paus overrulede daarmee de overste van de orde. Het gaat hier om de aanklacht dat sommige (niet met name genoemde) broeders het niet zo nou namen met het religieuze leven zoals de orde dat voorschreef en andere daarover in verwarring brachten.

Meister Eckhart werd indirect ook beschuldigd, toen twee broeders die werden aangeklaagd hun kans grepen om ook anderen te beschadigen. Eckhart heeft zich daarop verdedigd met een geschrift (het Requisitus) dat helaas verloren is gegaan. Eckhart werd vrijgesproken van de beschuldigingen. De twee genoemden dienen later opnieuw een aanklacht tegen Eckhart in. De aartsbisschop van Keulen, Henry II van Virneburg geeft de opdracht aan een juridische commissie om de zaak Eckhart nader te onderzoeken. De aanklagers moesten nu met bewijzen komen. Zij kwamen met een lijst van citaten uit het werk van Eckhart, die erop zouden wijzen dat zijn ideeën tegen de leer van de kerk ingaan.

Eckhart schrijft dan een verweerschrift: het Rechtfertigungsschrift. Het zijn de persoonlijke aantekeningen van Eckhart op grond waarvan hij zich op 26 september 1326 verdedigde. Hij wijst alle aanklachten van de hand omdat ze feitelijk niet kloppen, of omdat de geschriften waarnaar men verwijst niet van hem zijn. 

Op 24 januari 1327 beroept Eckhart zich op de paus (wel te verstaan in Avignon). Hij verzette zich tegen de gevolgde procedure, hij had zich tegenover de overste van de orde moeten verantwoorden niet tegenover de aartsbisschop. Alleen de paus of de universiteit van Parijs mocht over hem oordelen in zaken waarin hij beschuldigd werd, nl van heresie (ketterij). Voor alle duidelijkheid, dat is vaak gesuggereerd in het onderzoek naar het proces tegen Eckhart, hier speelt de beruchte inquisitie geen rol. Die verschijnt pas veel later in de 14de eeuw in Duitsland op het toneel.

Op 13 februari na zijn preek in de Keulse Dominicaanse kerk laat Eckhart een document voorlezen, waarin hij zich verweert. In het kort komt het erop neer, dat hij zich altijd tegen fouten in het geloof heeft verzet, dat hij, mocht er iets mis zijn met zijn werk of preken, door gebrek aan kennis, of omdat het afkeurenswaardig is, dat hij dat dan herroept.

Eind februari/begin maart reist Eckhart af naar Avignon in het gezelschap van enige broeders. Een commissie van theologen moet dan beoordelen, niet of Eckhart als persoon een ketter was, maar of sommige standpunten in strijd zijn met het katholieke geloof. Eckhart zelf heeft – ook uit juridische overwegingen – altijd zijn bereidheid getoond, zijn fouten, mits ze worden aangetoond, te herroepen. Uiteindelijk wordt er een lijst opgesteld van 28 artikelen van uitspraken die als ketters worden beschouwd. Maar voor Eckhart door Paus Johannes XXII wordt veroordeeld is hij al gestorven. Eckhart is 28 januari 1328 in Avignon gestorven. Dus 690 jaar geleden. Op die datum is zijn nagedachtenis nog eeuwen gevierd in de Duitse Dominicaanse kloosters. We wisten zijn sterfdatum niet, maar bleek gewoon op de gedachteniskalender te staan.

Veroordeling: de bul De agro dominico 27 april 1329

Op 27 maart 1329 spreekt Johannes XXII  in de bul ‘De agro dominico’ zijn definitieve oordeel over Eckhart uit, hoewel dat ongebruikelijk was na de dood van de beschuldigde. Vijftien uitspraken worden als ketters aangemerkt, twee ketters maar konden niet authentiek worden verklaard, elf daarvan waren verdacht.

Levenslessen:

De levenslessen zijn in de eerste Erfurter periode ontstaan, ergens tussen 1294-1298. Het opschrift luidt: Dit zijn de lessen die de vicaris van Thüringen, de prior van Erfurt, broeder Eckhart van de orde der dominicanen, aan de kloosterlingen gaf, wanneer zij ’s avonds in leergesprekken bij elkaar zaten en zij hem in verband hiermee vragen stelde.

Het is een collatio in de volkstaal: een leergesprek met de broeders van wie hij de prior was op dat moment.  De tekst is natuurlijk niet een woordelijk verslag, maar wekt de indruk de weerslag te zijn van een gesprek dat naar aanleiding van vragen van broeders is gehouden. Er zijn momenten waarop we iets van de dialoog beluisteren: “Ach Eerwaarde, ik bespeur in mezelf niets groots, enkel armoede. Hoe zou ik dan tot Hem durven gaan?” Of “Ach Eerwaarde, ik vind mezelf zo leeg en traag, ik durf daarom niet naar onze Heer te gaan”. 

Het is dus een van de vroegste werken van Eckhart, maar het bevat al veel thema’s die in zijn latere werk terugkeren, zoals het thema van de gelatenheid. Het is een praktisch traktaat dat op het leven van de kloosterlingen is gericht.

Deel I

Het traktaat begint met het thema van de gehoorzaamheid, centraal thema van de monastieke orde. Men hield zich aan de regel van Augustinus.

In hoofdstuk 2 staat, wanneer het gaat over het meest krachtige gebed en het zuiverste handelen;

“Het krachtigste, het zowat machtigste gebed waarmee je alles kunt krijgen en het bovenal waardevolste handelen komen voort uit een ledig gemoed. Hoe lediger dat is, des te krachtiger, waardevoller, nuttiger en prijzenswaardiger en volmaakter het gebed en het handelen zijn. Het ledige gemoed kan alles. 

Wat is een ledig gemoed? Ledig is een gemoed wanneer het door niets in de war wordt gebracht en aan niets is gebonden, wanneer het niet door bepaalde emoties wordt vertroebeld en in geen enkel opzicht met zichzelf bezig is, doch volledig is verzonken in de liefste wil van God en uit zichzelf is uitgetreden”.

Dit is een centraal begrip bij Eckhart, het ledig gemoed, de mens die zich ontledigt, om zo ontvankelijk te zijn voor God, en dus ook het gebed. Het gebed of het handelen is dan geen activiteit meer, maar een totale overgave. We moeten ont-ikken.

Er staat nog wel een fout in de vertaling van Jellema, die ik zoëven citeerde:

Hij vertaalt, dat het gemoed door geen enkele emotie wordt vertroebeld, maar het gaat niet om emotie, maar om een wijze, een modaliteit. Het luistert dus nauw, zullen bij de bestudering van het traktaat merken.

Het traktaat beslaat een aantal praktische thema’s, waardoor het zo boeiend voor ons vandaag. Het bestaat uit drie hoofddelen, en 22 afzonderlijke hoofdstukken of paragrafen.

Deel II

Het tweede deel van het traktaat gaat over de zonde.

Daar is het denken van Eckhart scherp en kritisch, zodat het de officiële leer van de kerk kon verontrusten. In de pauselijk bul, artikel 15 wordt Eckhart’s leer van de zonde veroordeeld. Hij zou gezegd hebben: 

“Wanneer een mens duizend doodzonden zou hebben begaan en die mens heeft de juiste houding, die mens mag niet wensen, dat hij die zonden niet zou hebben begaan”. 

In de Levenslessen staat: 

“Ja, wie echt tot de wil van God is ingegaan zou niet moeten willen, dat de zonde waartoe hij verviel niet was gebeurd; niet omdat die tegen God was en je tegen de wil van God handelde, maar enkel omdat je daardoor tot grotere liefde verplicht bent en vernederd en gedeemoedigd”. 

Het blijkt maar weer eens hoe gekleurd het pauselijke oordeel is, het gaat immers niet om doodzonden, zeker geen duizend, maar ook niet om de essentie van Eckhart’s kijk op de menselijk tekortkomingen. Het doel is nl. tot grotere liefde te worden gebracht.

 

III.

Het derde deel is wat rommeliger van opzet, maar draait in de kern om de navolging van Christus.

Kortom: ik nodig u allen uit om de komende avonden het traktaat Levenslessen van Meister Eckhart te gaan lezen. Dat is inspirerend en prikkelend. 

 

Arie C. Kooijman

 

 

Vrijzinnigen, Oegstgeest

Meister Eckhart,

Zondag 4 februari 2018, 15-17 uur, E.P. Bos

Samenvatting:

Grondgedachte van Eckhart

Meester Eckhart was één van de belangrijkste theologen en filosofen van de Middeleeuwen. Nog steeds worden velen door zijn werk geïnspireerd.

Om Eckhart histórisch goed te begrijpen moeten wij een omslag maken in onze opvattingen van belangrijke begrippen. Hoewel Eckhart tot de West-Europese traditie behoort, is zijn blik als ook de blik van voorgangers en navolgers vanaf de oudheid tot de 16e eeuw wezenlijk anders dan die van ons. Hij definieert fundamentele begrippen als individu, autonomie, rationaliteit anders dan wij.

Van de hedendaagse mens zouden wij kunnen zeggen dat hij een zelfstandig en autonoom individu is. Hij staat zelfstandig in het leven, bepaalt normen en waarden vanuit zich zelf, ook al gebeurt dat in samenhang met anderen, bij voorbeeld de sociale groep waarin hij leeft.

Volgens het antieke en het middeleeuwse denken is de mens niet autonoom, maar heteronoom. De grondslag van zijn bestaan, van zijn denken en van de waarden die hij nastreeft, komen van elders, uit een andere en hogere werkelijkheid. Deze hogere werkelijkheid bepaalt hem en zijn doen en laten. Zij voltrekt zich aan hem. In plaats van ‘Ik denk’ zou men beter kunnen zeggen: ‘Er wordt via mij gedacht’, In plaats van ‘Ik doe een vrome of eerlijke daad’ zou men beter kunnen zeggen: ‘Vroomheid of eerlijkheid wordt aan mij voltrokken’.

Leven en werk. Meister Eckhart is geboren in 1260 in Hochheim (Thüringen), hij is gestorven op 28 januari 1328. Eckhart heeft veel geschreven: strict theologische studies, en verder traktaten en preken. 

Theologie en filosofie in de middeleeuwen. Vanaf het ontstaan van christendom werd het christelijk geloof opgevat als een soort kennis. De christelijke leer was in beginsel uit te leggen door de menselijke rede.

De leer van de vroege kerk wordt uitgelegd in termen van de filosofie van Plato en diens volgelingen. Deze uitleg van het christelijk geloof in termen van het platonisme komt voor het eerst het duidelijkst naar voren bij Augustinus (354-430).

Plato leerde een soort dualisme. Hij gaat uit van een tweedeling van de werkelijkheid: Er zijn twee werkelijkheden of: werelden, of: kosmossen, namelijk een onveranderlijke, onstoffelijke en eeuwige wereld, de wereld van wat Plato noemt die van de Ideeën, de èchte werkelijkheden. Deze wereld is het object van de geest. Daarnaast, en daarvan afhankelijk is er een veranderlijke wereld, waarvan de delen ontstaan en vergaan. Deze wereld is het object van de zintuigen. Deze tweede werkelijkheid is niet echt, maar tussen echt zijn en niet-zijn in.

De eerste, hogere werkelijkheid bepaalt de aard van de tweede, In het latere platonisme bepaalt de Idee van het goede (een term van Plato), of: het Ene (dit vooral bij Plotinus): de lagere werkelijkheden. Dat wil zeggen: een vriendschappelijke daad wordt bepaald door de Idee vriendschap via een handelend individu dat op basis van de kennis die hij heeft een vriendschappelijke daad verricht.

Heel de werkelijkheid is hiërarchisch opgebouwd. Het Ene, een soort super-Idee, staat bovenaan, de andere ideeën komen daarna of daarnaast, en de zintuiglijke werkelijkheid is de laagste fase.

De hele werkelijkheid is een kosmos, dat wil zeggen volgens de Griekse betekenis, een sieraad. Hij is goed geordend, en alles hangt met alles samen zoals in een uurwerk.

Deze kosmos is noodzakelijk bestaand en een noodzakelijk werkend geheel. Hij bestaat vanaf eeuwigheid. De wezens van de dingen werken noodzakelijk.

Het vroege christendom neemt dit Platoonse model van denken over, met name vanaf Augustinus. We zien dit terug bij alle 3 middeleeuwse denkers, zij het met steeds verschillende uitwerking. Aristoteles speelt ook weer een rol.

De hoofdstroom van het middeleeuws christendom (bij voorbeeld bij Thomas van Aquino, 1224/5-1275, voor wie Aristoteles belangrijk is) definieert de mens als afhankelijk van God, als pelgrim, als ‘mensonderweg’, De mens probeert met zijn rede zich een weg naar God te zoeken. Hij oriënteert zich op de natuurlijke werkelijkheid; echter, bij God, het intellect bij uitstek, ligt zijn geluk.

In zijn fysieke leven heeft de mens te maken met de hiërarchie van kerk en maatschappij. In principe lijken de structuren van kerk en samenleving op elkaar. In de wereldse samenleving zien wij onderdanen, vorsten, koningen, in hiërarchie; in de kerk zien wij gewone gelovigen, priesters, bisschoppen en de paus, ook in hiërarchie. Het verschil is dat de wereldse overheid zich met praktische en poltieke zaken bezighoudt, en dat de geestelijke en kerkelijke leiders zich met het uiteindelijk doel van de mens om heil bezighouden op basis van hun uitleg van de bijbel.

De mens moet ter wille van zijn hemelse en uiteindelijke geluk gehoorzaam zijn aan God. Hij kan dit doen op grond van het leven en de prediking van Gods zoon, Jezus Christus. De mens kent God via Christus, die ‘de weg, de waarheid en het leven is’ (Johannes 14:6).

Hoewel het vroege christendom zichzelf uitlegt in termen van de rationaliteit van de tijd, is er een ernstig verschil tussen het christendom en het antieke denken. Het christendom neemt de notie van een hoogste oorzaak, dus van de Ene die zij God noemen serieus. God is namelijk almachtig en niet gebonden aan de noodzakelijke wetten van de veranderlijke wereld. Volgens de christenen moet men God niet definiëren in termen van de schepping. God staat daar boven.

God kan in zijn almacht wonderen verrichten. Bij voorbeeld (het klassieke voorbeeld van het brandende braambos uit Exodus 3). God kan maken dat dor hout, waarbij vuur is geplaatst, niet verbrandt, anders dan wij verwachten. God kan de werking van het vuur opschorten.

God is dus volkomen vrij en niet gebonden aan natuurwetten. Het duurt tot de veertiende eeuw dat de middeleeuwse denkers de consequenties uit het nieuwe Godsbegrip trekken. Bij Eckhardt vinden wij dit echter nog niet.

Eckhart.

Eckhart’s leer is een radicalisering van het theologisch denken van zijn tijd: Het doel van de mens is de volledige onthechting van de veranderlijke dingen. In die werkelijkheid heeft hij niets te zoeken. De mens moet zijn oriëntatie op God serieus nemen. Hij moet heel zijn denken op God richten. Zelfs verlangen naar de kerk te gaan is niet de ware oriëntatie.

Eckhart stelt kennis radikaal boven het zijn. De mens moet los komen van zintuiglijke en geestelijke zaken die op de veranderlijke wereld betrekking hebben. De enige werkelijkheid bevindt zich in het innerlijk. Daar brengt de mens God voort, daar is God.

In het ervaren van de kern van zichzelf, de eigen ziel, ervaart men God. Het gaat er om dat de mens in zijn geest God opnieuw geboren doet worden. Men zou Eckhart de theoloog van de ‘Gottesgeburt’ kunnen noemen (in de doop kan men iets dergelijks herkennen).

De mens moet loskomen van zijn individuele ik (‘ont-ikking’). Dit is de ware armoede van geest uit de zaligsprekingen (zie Eckhart’s preek 52: ‘Zalig zijn de amen van geest’). Hij moet zijn ware IK zoeken.

Deze radicale verinnerlijking geeft rust, en is volgens Eckhart de basis van werken. Onder deze voorwaarden is de mens vrij.

Veroordeling van Eckhart door de kerk.

Eckhart werd onder meer om stellingen dat de mens God opnieuw schept (de Gottesgeburt), veroordeeld. Volgens de Kerk was hij pantheïst, iemand die de natuur gelijk stelt met God. Bovendien zou Eckhart geen belang hechten aan praktische werken, en was hij op een onaanvaardbare wijze nieuwsgierig.

In zijn bul ‘In agro dominico’ (‘op de akker des Heren’) geeft paus Johannes XXII 28 stellingen weer die uit Eckhart’s werk afkomstig zouden zijn. Hij veroordeelt deze stellingen of kwalificeert ze. De paus wil voorkomen dat er onkruid op de akker groeit; dit zou de hele akker kunnen aantasten.

In de bul geeft de paus via de door hem veroordeelde stellingen aan dat we verschil moeten aannemen tussen God en de wereld. We niet moeten uitgaan van een wilsethiek in de meest radicale zin, zelfs alsof elk kwaad door God gewild zou zijn. We moeten in onze theologie, zo impliceert de paus, ruimte geven aan het natuurlijke handelen.

Eckhart en wij.

Eckhart’s leer is een radikale verfilosofering van het christendom De traditionele rooms katholieke kerk verwerpt dit, evenals de reformatie. Ondanks deze radicalisering is Eckhart’s mensbeeld niet zo negatief als ooit de Gnosis, of later Luther.

Het geloof is niet gebonden aan traditionele interpretaties zoals deze in de kerk bewaard worden. Op die manier kan het vrijzinnig christendom inspiratie vinden bij Eckhart.  

 

Bezoeker in gesprek met de sprekers Arie Kooijman en Bert Bos

 

Arie en zijn echtgenote Gerrie Kooijman